Babyloniërs
Zo zagen de Babyloniërs de aarde in ons zonnestelsel.
De hemel was geen ruimte, maar een vast gewelf. Dit hemelgewelf werd ondersteund door de "bovenste oceaan". Daar weer
boven was dan de godenhemel, waarin ook 's nachts de zon zich bevond.
Bij haar opkomst bewoog de zon in het oosten door een deur in het hemelgewelf, om tenslotte de aarde te beschijnen. Ook in het westen was een poort waar zij dan in de avond weern verdween.
De aarde was een holle schijf die in de grote oceaan dreef. Tussen het hemelgewelf en de rand van de aardbol bevonden zich dan de oostelijke, zuidelijke en de westelijke oceaan, terwijl het noorden een onbekend gebied was. De zon, de maan en de sterren waren allen goden, die zich langs de hemel bewogen, dit hemelgewelf was zelf weer in rust.