Egyptenaren

Volgens de Egyptenaren was het heelal een langwerpige doos. Kennelijk hield het verband met de lange smalle vorm van het Nijldal. De bodem werd gevormd door de aarde, met Egypte natuurlijk in het midden.

Aan de bovenkant was de hemel, die op zijn beurt weer werd ondersteund door hoge bergtoppen in de vierhoeken van de aarde. Deze toppen waren onderling weer verbonden door bergketens, waarlangs over een brede uitstekende bergrand een rivier rond de aarde stroomde, "de grote rivier". Vanuit het zuiden werd Egypte bevrucht door het water uit een zijrivier (de Nijl).

De sterren hingen als een soort lamp aan het hemelgewelf, of werden door de goden gedragen. Overdag waren zij door het zeer sterke zonlicht niet waarneembaar, of zij werden 's morgens uitgeblazen en ''s avond weer aangestoken door de goden. Waarschijnlijk dacht men dat de "grote rivier" ook gedeeltelijk in het bovengewelf stroomde, want hier bewogen dan de boten met de zon, de maan en de planeten Jupiter, Saturnus, Mars en Mercurius maar soms ook Venus.

De hemel werd ook wel eens voorgesteld als de "hemelse koe". De melkweg was een afbeelding van de Nijl hier op aarde en die door het rijk van de gelukzaligen stroomde.