De Griekse wereld (ca. 450 v. Chr.)

Empedokles ging ook uit van het idee van een soort bolvormig heelal. De buitenste schil bestond dan uit kristal of gecondenseerde lucht en bevatte sterren. Hierbinnen lag dan weer een tweede schil die uit twee halve bollen bestonden; de ene bol bevatte hoofdzakelijk vuur met iets lucht en er was licht, de ander bol bestond voornamelijk uit lucht en iets vuur en er was duister.

Deze voor de helft donkere en voor de helft lichte bolschil wentelde dan in 24 uur van oost naar west en veroorzaakte op deze manier de dag en nacht. In het midden van dit heelal lag dan weer de aarde als een soort platte schijf, die op zijn beurt weer op zijn plaats werd gehouden door de zeer snelle rotatie van de hemelbollen.

De maan en de planeten bewogen zich dan in de ruimte tussen de aarde en het hemelgewelf in. De zon was geen hemellichaam, maar de reflectie van de lichtgevende halve hemelbol, die zich met de wenteling van deze sfeer aan de hemel verplaatste.